Wat ik mis, wat ik niet mis en wat ik nooit meer wil

Wat ik mis is Coby; iedere dag de hele dag. Wat ik ook doe, altijd is ze erbij, in mijn gedachten althans. Haar overlijden is voor mijn gevoel niet vier jaar geleden gebeurd, maar hooguit twee maanden. En dat zijn de goede momenten. Al ik niet oppas, kruipt het stiekem dichterbij. Dan wordt het één maand, een week geleden, of gisteren. Al ik zover ben, dan is er geen ontkomen aan: het wordt een live uitzending. En vervolgens is het janken geblazen.

Dat geeft niets. Het is een eerbetoon, een uiting van liefde. Want die gaat nooit over. Die liefde zal ook altijd een nieuwe relatie onmogelijk maken. Ik moet er niet aan denken, iemand anders in mijn huis, met iemand anders hand in hand boodschappen doen.
Hoewel, dat laatste is niet waar. Er is één mens met wie ik hand in hand zou kunnen lopen, zonder bijbedoelingen. Mijn hartsvriendin, mijn steun en toeverlaat, mijn warme douche. Als ik boos ben word ik afgekoeld, als ik depressief ben word ik opgewarmd.

Dat laatste gebeurde donderdag. Die douche heeft me direct gered, weer plezier in het leven bezorgd. Of de behandeling daar nog iets aan toe gaat voegen, dat zal de tijd moeten leren.
Maar voorlopig ben ik weer dolgelukkig, en dat is wat telt.

Wat ik dus niet mis, is iemand in huis, een nieuwe relatie. Ik zal dat wel eens eerder hebben geschreven. Als ik alleen maar denk aan een nieuwe relatie, dan krijg ik het Spaans benauwd. Rekening moeten houden met iemand anders, dat ben ik ontwend. Bovendien zal het nooit meer een vergelijkbare relatie kunnen worden. En stel je voor dat een nieuwe relatie wel vergelijkbaar zou worden, dan zou dat nog erger zijn. Dat zou voor mij als het ultieme verraad voelen. En het kan nog erger. Het leven is eindig en op mijn leeftijd ligt dat einde binnen handbereik. Stel je voor dat ik weer zo’n liefde vind, en dat die liefde weer op dezelfde manier eindigt, weer zo’n martelgang, weer zo’n gehalveerde twee-eiige eenling, weer zo’n afgebrand hart na afloop.
Allemaal redenen om alleen te blijven. Ik troost me daarom met het idee dat ik mag doen en laten wat er in mijn opkomt. Wat dat dan ook zijn mag, zonder grenzen, behalve dan de grenzen die de wet heeft opgelegd.

Zeker na die drie maanden opgehokt te zijn geweest, ben ik er aan toe om de grenzen op te zoeken. Ik voel me geen kind in een speelgoedwinkel; ik voel me een koopziek kind dat nog geen idee heeft of het speelgoed of snoep moet worden, of misschien zelfs nog iets heel anders. Op of ná 1 juli, als ik weer met het OV op stap mag, laat ik me verrassen door mezelf.

In ieder geval heb ik al een vakantieplan ‘Nieuwe Stijl’ bedacht. Geen Benidorm; ik wil iets anders dan wandelen door een leeg decor. Toen moest ik denken aan Praag, die prachtige, warme stad met al die lieve mensen, het heerlijke eten.
Maar er zijn nog zoveel andere mooie steden die roepen. Boedapest, Barcelona. En toen viel opeens het kwartje. Waarom moet het ver weg zijn? Waarom niet vlakbij? Waarom niet België, Antwerpen of Brussel. Prachtige steden met prachtige mensen en heerlijk eten. Waar ze onze eigen eetcultuur nog koesteren, waar ik het eten van mijn moeder weer kan proeven. Het eten dat wij hier zo verwaarloosd hebben.