Wanneer is het tijd om Opa weg te gooien?

Laatste gewijzigd 28 juli, 12:45

Als een koffiekopje stuk gaat, door een barst of een gebroken oortje bijvoorbeeld, dan gooien we het meestal in de vuilnisbak. Noodgedwongen, want het blijkt niet makkelijk om iemand te vinden die voor weinig geld bereid is om een kopje van € 5,- te repareren. Goede, betaalbare kopjesmakers zijn schaars, misschien wel uitgestorven, of wellicht hebben ze nooit bestaan.
Het vinden van een dure, slechte schoenmaker is in de praktijk veel eenvoudiger. Dat heb ik vorige week nog ondervonden, toen mijn favoriete Ecco instappers aan nieuwe zooltjes toe waren. Voor een prijsje van € 45,- werd de klus binnen een dag geklaard. Een vriendelijke bediening bleek niet inbegrepen in de prijs; lachjes zijn waarschijnlijk te kostbaar om zomaar cadeau te geven bij een klus, en je kunt er lelijke rimpels van krijgen. Zonder bril, en vanaf een veilige afstand, ziet het resultaat er best aardig uit, maar als afstudeerproject zou het herstelwerk beslist geen diploma opleveren. Vroeger probeerden vaklieden nog weleens om uit vaktrots vakwerk af te leveren. Tegenwoordig houdt vaktrots in om zo snel mogelijk zoveel mogelijk geld uit de zak van de klant over te hevelen naar je eigen zak. Maar gelukkig zitten en lopen de schoenen beter dan ze ogen. Ze kunnen weer even mee, zeker omdat ze alleen maar bedoeld zijn voor stadsverkeer. 
Goede schoenen zijn duur, dus is repareren vaak aantrekkelijker dan weggooien.
Auto’s zijn nog duurder dus die gooi je zeker niet weg om een reparatie van een paar honderd euro te vermijden. Auto’s worden eindeloos opgeknapt, gepoetst, van nieuwe onderdelen voorzien. En er zitten in de auto’s van tegenwoordig nogal wat onderdelen om te vervangen. Het is ondoenlijk om tegenwoordig zonder ondertiteling iets van een garagerekening te begrijpen. Of misschien bestaan die berekende onderdelen niet eens, en zijn ze net als het ‘epibreren’ van Simon Carmiggelt alleen maar bedoeld om de klanten het zwijgen op te leggen. Niemand wil dom lijken, dus wie durft iets te vragen als op een rekening een ‘stoma-terugslagklep’ van € 359,- excl. BTW opduikt? Ik niet, in ieder geval, dus ik houd me van de slimme, en probeer, als ik in een goede bui ben, nog een bijzonder intelligente opmerking te plaatsen zoals: “Ja, dat type levert vaker problemen op, heb ik weleens gelezen.” Daar heeft de garagist, die waarschijnlijk net als ik nooit van het onderdeel heeft gehoord, niet van terug, zodat ik me toch nog een beetje een winnaar durf te voelen, als ik met klotsende oksels de deur uit stap, al heeft die triomf me € 359,- gekost, exclusief BTW. Auto’s zijn duur, maar vergeleken met ego’s valt de prijs nog wel mee.
Een auto moet ernstig kapot zijn voordat weggooien als optie in beeld komt. Als een auto voor onszelf niet meer bruikbaar is, is er meestal nog wel iemand anders blij mee te maken. Maar eens komt er ook voor een auto een tijd om definitief weg gegooid te worden. En dan zijn veel onderdelen nog goed genoeg om in andere auto’s aan het werk te worden gezet. 

Wanneer we iets afdanken hangt dus een beetje af van de waarde, onderhouds- en reparatiekosten, plus eventueel sentiment, en ons temperament, niet te vergeten. “Doet dat #&*@! ding het alweer niet! Nu is het genoeg geweest, ik ga vandaag nog een andere kopen!” Als sentiment en temperament geen rol spelen, dan ben je waarschijnlijk een saai mens, maar geef je ook veel minder geld uit in impulsen. Dan geef je alleen geld uit aan een reparatie als dat financieel zin heeft. De reparatiekosten moeten terug verdiend kunnen worden. 

Met levende wezens gaan we anders om. 
Plaagdieren, zoals insecten, spinnen, torren moeten gewoon dood. Als er geplaagd moet worden, doen we dat zelf wel. Dat is onze specialiteit. Wij zijn getalenteerde treiterdieren, zo heb ik helaas in de afgelopen twee maanden weer mogen ervaren. Daar kunnen we geen concurrentie bij gebruiken. Met spuitbussen, kleefstrips, al dan niet electrische meppers, gifpoeders en -pillen wordt alles uitgemoord dat ons niet aanstaat. Met logica heeft het meestal niets meer te maken. Iemand heeft ooit bepaald dat dit ondieren zijn, en ondieren hebben geen recht van leven en moeten gewoon dood. Een mierennest in de tuin is een onacceptabele inbreuk op onze… ja wat eigenlijk? Mieren moeten gewoon, net als andermans katten, uit onze tuin weg blijven; zo niet, dan wordt het nest in de fik gestoken of worden er lokdoosjes met gif omheen geplaatst. Dood moeten ze; of ze nuttig zijn of niet, dat interesseert ons geen lor.

In de laatste jaren heb ik alle mieren gewoon hun gang laten gaan, een beetje uit nieuwsgierigheid, maar overwegend vanwege het toenemende besef dat ook in zoiets kleins alles zit dat nodig is om te functioneren, zintuigen, spijsverteringssysteem, een hart, zenuwen, pootjes, een brein. In ieder brein, hoe klein ook zijn alle programma’s opgeslagen die een wezentje nodig heeft om te functioneren, inclusief overlevingsroutines in panieksituaties. Dat kunnen we reflexen noemen of instinct, maar aan de basis van die routines staat altijd, bij iedere diersoort, een signaal dat wij kennen als angst. Angst is waarschijnlijk, afgezien van verdriet, de naarste emotie die een wezen kan voelen; een gevoel dat we daarom geen enkel wezen zouden moeten aandoen.
Emoties die ik alle wezens wèl van harte kan toewensen zijn verbazing en bewondering. Dat is precies wat ik steeds meer ga voelen voor de microwezentjes die hun leven en hun werk even serieus, en misschien zelfs met evenveel plezier nemen als wij.
Neem eens de moeite om een paar minuten naar een vlieg te kijken, of naar een mier.
Geen mens is in staat om een mier of een mug van vlees en bloed in elkaar te knutselen, maar om het kapot te maken schudden we in een paar minuten tientallen manieren uit onze mouwen, en allemaal even gruwelijk.

Ik heb geen spijt gekregen van mijn experiment: Geen mier is mijn huis binnen gedrongen en na een paar maanden zie je ze niet meer. Dus waarom zou ik die beesten moeten vermoorden? Uit sentiment, gebaseerd op onze eigen klassieke vieze leefgewoontes waar ooit de ‘ondieren’ van profiteerden. Sinds de uitvinding van bijvoorbeeld koelkasten en Dettol, hebben we van die ‘ondieren’ weinig meer te vrezen. Omdat er in ons territorium niets meer te halen valt voor ze, blijven ze in hun eigen territorium, op een enkel nieuwsgierig of verdwaald exemplaar na. Geef zo’n verdwaalde reiziger een druppel koffie voor de schrik en wijs hem de weg naar huis. Het is een moeite van niets en het geeft een goed gevoel, een veel beter gevoel dan: “Zo, die is er geweest.”

Kleine plaagdieren zijn niet moeilijk dood te maken. Ieder kind kan het. Omdat ze zo klein zijn, zijn ze anoniem. Zelfs al zou een vliegengezicht lijkbleek verkrampen van doodsangst vlak voordat een mepper of een hand een einde maakt aan zijn bestaan, dan zien wij daar niets van en hebben we er dus ook geen last van. Anonieme, gezichtloze beesten zoals muggen en vliegen kunnen “we” zonder er bij stil te staan achteloos met één vinger verpletteren. Dan moeten ze maar niet prikken, of niet irritant om je hoofd vliegen, of niet zo’n hinderlijk gezoem produceren. En van ons drankje moeten ze helemaal afblijven. Een micromoordje bezorgt ons geen syndroom. Zelfs voor micro-massamoorden deinzen we niet terug. Nu moet ik toegeven dat van die ontelbare bewoners van een mierennest in mijn tuin er ook niet één wakker zou liggen als ze mij onverwacht dood zouden tegenkomen. Integendeel, het zou een reden zijn voor een feestje. Denk ik tenminste; lusten mieren mens?
Als mieren mens lusten, dan zou hun vreugde nog functioneel zijn. je zult zomaar zo’n berg voedsel cadeau krijgen. Omgekeerd heeft onze vreugde om een uitgemoord mierennest geen enkele praktische basis. Onze micromoorden zijn gebaseerd op een zinloze historische woede. En iedere keer komen we er weer te laat achter dat we met die moorden hele ecosystemen overhoop gooien waar we uiteindelijk zelf weer de dupe van worden.

De hele natuur is een soepel draaiende, duurzame machine. Ieder dier, iedere plant heeft natuurlijke vrienden en vijanden, leveranciers en afnemers. Ze leven, met elkaar en van elkaar. Ze zijn elkaars voedsel en elkaars afvalverwerkers. Ieder organisme dat dood gaat of dood wordt gemaakt wordt gebruikt door andere organismes, rechtstreeks als voedsel of indirect als compost. De één zijn dood is in de vrije natuur altijd de ander zijn brood. Behalve als wij ons ermee bemoeien. 
Een uitgebrand of vergiftigd mierennest en een platgespoten mug dienen voor de natuur geen enkel nut. Integendeel, de machine raakt er door uit balans. Want geen enkel ander dier heeft er voordeel van.
Net zo min als je naar willekeur raderen uit een machine kunt slopen kun je dieren en planten uit dat wondelijke mechanisme rukken omdat je ze niet mooi vindt, omdat iemand ze als onkruid heeft bestempeld of omdat je je ergert aan ze. Zeker niet als we voor de bestrijding grijpen naar een bus met chemicaliën. Want dan wordt ieder vernietigd mierennest een mini-Tsjernobyl.
Steeds vaker maken we onszelf de clowns van de aarde. Nog steeds, na miljoenen jaren, en ondanks al onze dure studies is er maar één goede natuurbeheerder: de natuur zelf.

Ik ben weer bezig met mijn specialiteit: afdwalen. Terug naar de rode draad, Loek.
Een muis vermoorden is lastiger dan een hele mierenhoop. Muizen zijn een stuk groter dan insecten, en hebben daardoor een duidelijk herkenbaar gezicht. Zeker als ze op hun achterpootjes zitten zijn het net kleine mensjes, met die pientere kraaloogjes. Maar we zijn opgevoed met het idee dat muizen enge, gevaarlijke beesten zijn, die onze kaas jatten en ons ook nog ziek kunnen maken. Dus het vonnis is al lang geleden geveld. Alle muizen verdienen de doodstraf. Nu de uitvoering nog.
Is er iemand die kans ziet om een muis net zo achteloos dood te drukken als een vlieg? Dus niet met een afgewend gezicht een tegel erop gooien, gif strooien of een val met kaas het smerige werk laten doen, maar je blote hand erop en druk uitoefenen zodat het beestje piepend steeds platter en breder wordt totdat de huid barst en het bloed en de ingewanden eruit worden geperst? Dan breken de oogjes en verstomt het piepen; hij is stuk en kan weg gegooid worden. Is er iemand die dat kan? Zo ja, dan wil ik die niet kennen.
Een vraag voor de mensen die het niet kunnen: Waarom kun je dat dan wèl bij een mug of een vlieg?

Zodra een dier een naam krijgt wordt de beslissing nog iets lastiger. Onze honden en katten behandelen we als familieleden. We praten tegen ze, in het zelfde jargon dat we voor baby’s gebruiken. “Agossiepossie” en zo. 
We houden van dieren want: “Je hebt er zoveel gezelligheid van”, “Volgens mij begrijpen ze gewoon wat je tegen ze zegt”, of “Hoe beter je de mensen leert kennen, hoe meer je van dieren gaat houden.”
Dieren zijn allemaal jarig op 4 oktober, de naamdag van de Heilige Franciscus, de man die alle levende wezens zijn broeders en zusters noemde. “Alle schepselen op aarde voelen als wij, streven naar geluk als wij… God wenst dat wij de dieren bijstaan wanneer ze hulp nodig hebben…”
Als diervriendelijke agnost kan ik hem alleen maar gelijk geven. Alles dat leeft heeft evenveel recht op geluk. Als ik probeer om als een gelovige te denken, dan kom ik niet verder dan: “Als God bestaat, dan moet Hij alle dieren, van groot tot microscopisch klein, met evenveel liefde en aandacht in elkaar gezet hebben als ons.”
Op Dierendag offeren we de lekkerste beesten om onze huisdieren te tonen hoeveel we van ze houden. Daarom zijn niet alle dieren blij met Dierendag.

Daar hebben ze ook gelijk in. Onze dierenliefde is beperkt tot een bescheiden selectie: honden, katten, hamsters, kanaries en nog een paar uitverkoren soorten. Anders zou er niets te eten overblijven. Aan de meeste dieren denken we daarom in gastronomische termen: “mals” of “vol van smaak”, “het lijkt een beetje op kip”, “het valt van het bot”, bijvoorbeeld.
Sommige beesten zijn hybride, eetbare troeteldieren. Dat zijn de ideale, duurzame huisdieren. Als je ze als troeteldier zat bent, zijn ze nog heel goed bruikbaar als hoofdgerecht, zoals Youp van ’t Hek’s beroemde “Flappie”.
We zijn in staat om in de kinderboerderij vertederd een lammetje over zijn bolletje te aaien, om onszelf daarna thuis te tracteren op een verrukkelijk lamskoteletje, extra mals omdat het van een drie weken oud lammetje afkomstig was, zo wist de slager vol trots te vertellen. “Een buitenkansje. Zo jong kom je maar zelden tegen, dus dat verkoop ik niet aan iedereen. Geniet er maar van”.
Ooit zullen we hopelijk het stadium bereiken dat we lammetjes zelf laten genieten van hun koteletjes. Dan hebben we iets bereikt dat begint te lijken op beschaving. 
Een kleine toelichting is hier op zijn plaats, voor als toevallig iemand uit “mijn vorige leven” gevat weet te reageren op dit stukje met zoiets als: “Vroeger was hij zelf ook niet vies van een lekker stukje lamsvlees.”
Lang geleden was ik er inderdaad niet vies van. Ik heb lamsbout gegeten, zelfs zelf bereid met muntsaus, ik heb ook weleens speenvarken gegeten, van zo’n beestje dat in zijn geheel met kop en al aan een spies was gestoken en boven een vuur gehangen. Als ik daar nu aan denk, draait mijn maag zich om.  Ook heb ik in mijn wilde jaren menige vlieg en mug naar de eeuwige vliegvelden gestuurd. Wijsheid komt met de jaren. Gelukkig denk ik nu meer na, over leven in het algemeen en over wat ik in mijn mond stop. Ik heb geen moeite met vlees eten, want dat gebeurt in de natuur ook. Maar de arrogante, gevoelloze, wrede manier waarop we het dier behandelen voordat het vlees wordt, daar heb ik moeite mee.

Een lammetje opeten, dat lukt de meeste mensen nog wel. Maar een lammetje dood maken, dat wordt wat lastiger. Nog maar eens de zelfde vraag. Ik zal het niet verder vertellen, maar wie zou zelf een lammetje kunnen dood maken? Meestal is het antwoord: “Ja, als het echt moet, natuurlijk kan ik het dan.”
Een begrijpelijk standpunt; als ik zelf dreig dood te gaan van honger, dan kan ik misschien ook wel een dier dood maken, al zal dat beslist geen lammetje zijn. Maar ongeacht wat voor dier ik zou moeten doden om zelf in leven te blijven, mijn honger zou over zijn, maar ten koste van een schuldgevoel, en van de smaak genieten zou al helemaal niet meer aan de orde zijn. Laat staan dat ik het slachtoffer feestelijk zou opleuken met een frisse saus en een spectaculair garnituur. 
Maar als het niet nodig is om zelf te overleven? Wie zou gewoon een lammetje kunnen vermoorden, met geen ander motief dan de lekkere smaak? Zoals dat altijd gebeurt in Nederland. Sinds 1944 eten we niet meer om te overleven. Hoe echte honger voelt, met holle ogen, invallende wangen en een oedeembuik, daar hebben we gelukkig geen idee van. Onze ergste honger is niet meer dan een gezonde eetlust. Daarom maken we er geen probleem van om oude, letterlijk leeg gemolken melkkoeien, der dagen zat en rijp voor de sloop, maar nog vol met alle proteïnen die we nodig hebben, met opgetrokken neus naar een destructiebedrijf of diervoederfabriek te sturen, om voor onszelf zo’n piepjong, onschuldig beestje bij de moeder vandaan te rukken, vanwege het malse vleesje. Ik ben erg benieuwd, als er een “boven” mocht bestaan, wat we daarover dan te horen zullen krijgen. Maar ik vrees dat de reacties niet positief zullen zijn.

Een vleesfabriekje

Probeer eens een lammetje te doden, in gedachten dan, want ik zou het niet fijn vinden als je nu naar buiten zou rennen voor een praktijktest.  Om te beginnen bedenk je een lammetje. Doe zo’n heel kleintje, dat nog een beetje wankel op die iets te lange pootjes staat, en nog onschuldig en nieuwsgierig naar de wereld kijkt, met een blik in de ogen van: “Waar ben ik nu terecht gekomen?” Je gaat er even rustig voor zitten, kijkt in die onschuldige oogjes. Lief hè? Dan pak je met één hand het kopje vast. Dat vindt het lammetje niet zo fijn, dus het begint bibberend tegen te stribbelen. Om je geweten te sussen mag je het wel even knuffelen, aaien, onder zijn kin kriebelen, toespreken. Of zou dat het lastiger maken?
Maar dan wordt het tijd voor het serieuze werk. Je had je grootste en scherpste mes al klaar gelegd en neemt het beest in een houdgreep. Hoe je dat met één hand voor elkaar moet krijgen, dat weet ik ook niet. Misschien moet je het op de grond leggen en er met een voet op gaan staan. Of is dat zielig? Dan kun je je vrije hand gebruiken om het kopje vast te houden. Nu is het tijd om even aandachtig naar het kopje te kijken. Wat zie je in die oogjes? Wat zal er in dat koppie omgaan?

En dan rag je met dat mes met één forse haal de keel open. Je snijdt zo diep dat het kopje bijna van de romp valt. Het bloed spuit alle kanten uit. Want dat moet; gewoon dood steken kan niet; het bloed moet er uit. En als je de keel doorsnijdt, klopt het hart nog een tijd door en pompt zo het bloed uit het beest. Het lammetje is zijn eigen pompgemaal. Is dat slim bedacht of niet?
Wij, in beschaafde Europa mogen smokkelen. In onze diervriendelijke cultuur mogen we het beest eerst min of meer verdoven met een schietmasker waarmee een pen in de hersenen wordt geschoten. Maar er zijn culturen, die zichzelf niet minder hoog geciviliseerd vinden dan wij, waar het verboden is om dat lammetje humaan te slachten. Het moet onverdoofd, want anders telt het niet. Wat er dan precies niet telt, is niet duidelijk. De voedingswaarde blijft volgens mij gelijk, en ik kan me niet voorstellen dat er ergens een Schepper te vinden kan zijn die ervan geniet als zijn eigen schepselen worden gemarteld.
Onze regering die van nature wel een beetje van dieren houdt, mits smakelijk bereid, maar die niet iedereen tegen zich in het harnas wil jagen staat toe dat dieren onverdoofd worden gekeeld, maar dat het lijden niet langer mag duren dan 40 seconden. Dan moet het dier alsnog verdoofd worden. Halal of kosjere prak naar de bliksem. Ik vraag me af hoe een Schepper daarover zal denken. Hij moet in dit geval boos worden op een van de betrokken partijen, maar op welke? Misschien wel op allemaal. Dat hangt af van welk deel van welk Heilig Boek je als wetboek hanteert. Dat is een interessant onderwerp voor een volgende post.

Omwille van de test houden “wij” het bij het antieke onverdoofde handwerk. Als je een moordtest doet, dan moet je geen half werk leveren, We hebben trouwens geen keuze, want waar haal je zo gauw als amateur een schietmasker vandaan, maatje XXXXS?
Waar waren we gebleven? O ja, het bloed dat de hele pas geschrobde keuken aan het bevuilen is. Hoe voelt het, in gedachten, om eenmalig over leven en dood te beschikken? Laat het je koud, was het spannend, of heb je de neiging om zo lang mogelijk onder de douche te gaan staan?
En wat gaat er door je eigen hoofd, nu je in gedachten dat zelf vermoorde lammetje ziet liggen? “Slik, wat heb ik gedaan? Dat doe ik nooit meer.” Of denk je: “Zo, nu het beest nog even uit zijn jasje helpen, uitbenen en op smaak brengen. Ik denk dat we over een uurtje aan tafel kunnnen”?
Zelf zou ik niet zo ver komen. Lang vóór die tijd zou ik het imaginaire beestje hebben afgeleverd bij een denkbeeldige kinderboerderij. “Ik eet wel imaginaire boontjes vandaag, of ik eet niets.”

Het is maar goed dat er slagers zijn, toch? En dat die stukken vlees in de winkel niet op dieren lijken. Ik zou weleens willen testen wat het met de eetgewoontes doet als er op alle vleesverpakkingen een foto en biografie van het beest zou worden geplaatst: Wilhelmina 38, geboren op 14 februari 2018 op boerderij La Vache qui Pleure. Op 23 maart 2019 getransporteerd naar Wouters Slachterij, waar zij de zelfde dag nog, omringd door haar dierbaren, in alle vrede ritueel om het leven kwam.
Eventueel met een link naar een filmpje over leven en sterven van ons eigen gehaktballetje; beginnend met de geboorte, ieder pas geboren beest ziet er even weerloos en aandoenlijk uit. We zien Wilhelmina 38 opgroeien in een stal, af een toe een paar uurtjes in een weiland om te spelen met de andere koetjes, doktersbezoekjes die méér gericht zijn op het rendement dan op Wilhelmina’s welzijn. Na een kort en niet al te gelukkig leven wordt Wilhelmina een veewagen in gedreven en verdwijnt ze in de verte. Bij aankomst in het abattoir wordt ze, samen met tientallen andere koeien, met stokken en stroomstootwapens de wagen uitgemept, schreeuwend van angst de lopende band op gedreven. Dan komt de moordpartij, niet al te zachtzinnig want de slachter moet zijn quotum halen, en dat lukt alleen maar als die stomme beesten niet te veel tegenstribbelen.
Daarna wordt Wilhelmina gedemonteerd en verdeeld in eetbare porties. Als die porties eenmaal gewogen en verpakt zijn en voorzien van een etiketje met beschrijving, gewicht, datum, prijs en bereidingstips, dan is er van een beest of van de moordpartij niets meer te bespeuren. Wilhelmina is een vitrine vol met brandschone, appetijtelijk ogende lekkernijen geworden. Met een beetje geluk krijgt ze postuum nog wat extra aandacht met een affiche waarop haar charmes worden benadrukt met een bereidingswijze waar de familie jaloers op zal zijn.

Wilhelmina was weliswaar een huisdier, maar van de eetbare soort. Ze had de pech dat ze niet als troeteldier werd geboren. Want bij troeteldieren spelen heel andere overwegingen. Onze uitverkoren dieren gaan bijna net zo vaak naar hun eigen huisartsje als wij naar die van ons. Bijna eindeloos laten we ze herstellen en onderhouden.
“Bijna”, want bij dieren hebben we grenzen. Als ons huisdier veel pijn krijgt dan laten we het uit compassie uit zijn lijden helpen. “We konden het niet langer aanzien. We hebben Minoes laten inslapen.” 
Bij Minous gebeurt dat niet met een schietmasker en een flinke snee. Ben je gek, zeg!?
Dat kon bij Wilhelmina, want dat was slachtvee. Slachtvee kun je het best zien als een soort boom, gebouwd van botten, waar riblappen, biefstukken en gehaktballen aan groeien.
Minoes daarentegen is een levend wezen, van vlees en bloed, een gezinslid. En levende wezens behandel je met respect, dat weet ieder rund.
Onze dierbare Minoes krijgt daarom eerst een natte afscheidskus met heel veel aaien en zuchten, daarna een verdovingsprikje, en dan als ze niets meer voelt een prikje om het hart stil te zetten. Wij zijn beschaafde mensen, onze huisdieren moeten dan ook humaan worden behandeld. 

Maar wat doen we als het om mensen gaat? Minoes lieten we uit compassie inslapen. Maar als Opa ondraaglijke pijn lijdt, dan weerhoudt compassie ons juist om hem te laten inslapen. We leveren compassie op maat voor iedere gelegenheid. Opa mag onder geen voorwaarde worden weg gegooid. 

Hoe oud en onbruikbaar Opa ook zijn mag, afdanken doen we pas als er echt helemaal geen greintje leven meer in zit. De pols mag niet meer kloppen, de pupillen mogen niet meer reageren op licht, het voor de mond gehouden glasplaatje mag niet beslaan, en hij moet ook al een beetje stijf en koud aanvoelen. 
Zelfs dan mag Opa nog niet meteen worden weg gegooid. Voor alle zekerheid wachten we nog een paar dagen voordat hij met Groot Ceremonieel in een mensenkliko naar de daartoe speciaal ingerichte mensenvaalt wordt vervoerd.

Mensendokters hebben, in tegenstelling tot dierenartsen, niet als doel om mensen lijden te besparen. De missie van mensendokters is levens rekken. Met geen andere reden dan dat Hippocrates dat 2400 jaar geleden al zo heeft bedacht: “Nooit zal ik, om iemand te gerieven, een dodelijk middel voorschrijven of een raad geven, die, als hij wordt gevolgd, de dood tot gevolg heeft. Nooit zal ik een vrouw een instrument voorschrijven om een miskraam op te wekken.”
Economisch belang speelt geen enkele rol, en wat Opa zelf wil, dat interesseert niemand iets. Daar wordt niet eens naar gevraagd.
Opa zelf heeft niets te vertellen over zijn eigen toekomst. Opa heeft er niet voor gestudeerd en het is pas de eerste keer dat hij op de ballotagelijst van de Club van Dode Opa’s staat. De toelatingseisen zijn streng, daarom zijn er wijze mannen die erop toezien dat niemand vóór zijn beurt naar binnen glipt.

Hoe oud Opa ook mag zijn, of seniel, kreupel, vervelend, blind, doof, agressief, verlamd, radeloos, reddeloos of redeloos; zolang Opa nog maar een beetje tekenen van leven vertoont, al knippert hij maar met zijn ogen als er naast zijn hoofd een staaf dynamiet explodeert, dan blijft de dokter Opa plichtsgetrouw vol vuur aan de gang houden met pillen, poeders, drankjes, prikjes. Als dat niet meer genoeg is begint de dokter te knippen, te zagen, te hakken, onderdelen te vervangen naar hartelust. De dokter heeft gezworen om Opa zo lang mogelijk in leven te houden, en dat zal hij dan ook doen tot Opa’s laatste snik. Geluk is helemaal niet belangrijk. Zolang het hart klopt, gaat het uitstekend met Opa. 

Dank zij de toenemende vakkennis van de dokter worden opa’s en oma’s almaar ouder en ouder. Toen Vadertje Drees in de vijftiger jaren de AOW bedacht, was de gemiddelde levensverwachting 73 jaar. Daar is inmiddels 10 jaar bij gekomen. Allemaal schone winst, met een frisse adem en brandschone longetjes. Vroeger stierven ze maar raak, met levers vol cirrose, aderen vol cholesterol, longen vol nicotine-aanslag en allerlei andere ongewenste symptomen van plezier.
Die mensen genoten van het leven, zonder enig idee te hebben van gezond of ongezond. Waar haalden ze het lef vandaan? Ik zie ze nog zitten op de oude familiefoto’s; met een pot bier voor hun neus, een sigaret tussen de lippen, de tafel boordevol met taartjes, knabbels, kaas, worst, chocolade, bitterballen, bladerdeeghapjes, een wijnglas vol met sigaretten en een doos sigaren. Van het zien zou je al bijna een infarct krijgen. Wie op verjaardagspartijtjes minder dan 20.000 kCal, op tafel durfde te zetten, werd stante pede uit de vriendenkring gegooid.

Dan doen wij het toch een stuk beter. Knagend op een biologisch gekweekt worteltje, nippend aan een soja shakeje, kijken we naar “Een Broodje Gezond” waarin wetenschappers met elkaar op de vuist gaan over de vraag of we van melk nu een dag langer of juist een dag korter zullen leven. Hoe veel glazen melk moet je per dag drinken om de negatieve effecten van melk te compenseren? Dat was zo’n beetje de insteek van het debat, volgens mij. Melk is babyvoeding, en nog niet eens voor onze eigen baby’s, maar voor koeienbaby’s. Van nature zijn mensen helemaal niet geschikt om te leven van anderkoe’s babyvoeding, maar als we maar heel jong beginnen met trainen, dan leert ons spijsverteringssysteem om er toch nog iets leuks uit te halen; althans naar de mening van enkele optimistische experts. Bewijs is helaas heel moeilijk te leveren, want er spelen zoveel factoren een rol. Maar we krijgen er in ieder geval nog iets te eten bij. Want omdat wij het koeienbabyvoedsel voor de neus van de koeienbaby weg jatten, blijft er voor het kalf niets te eten over. Dus maken we daar maar lapjes van. Kort bakken met zout en peper, serveren met een glas ijskoude melk. Dan vinden ze elkaar toch nog, zij het met een nogal omslachtige omweg.

Maar of dat allemaal wel zo zinvol is, dat weten we helaas dus nog steeds niet. De boeren, zuivelfabrikanten en supermarkteigenaren vinden van wel, de koeien vinden van niet en de wetenschappers moeten het aan hun klant vragen. De klant heeft laten weten dat het zo goed als vrijwel zeker is dat zuivel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen kwaad kan, mits je niet de voorgeschreven hoeveelheid overschrijdt, en de bijsluiter goed leest; en gebruik is altijd voor eigen risico. “Maar blijf het vooral drinken.” Ecologen zijn fel tegen melk, dierenbeschermers zijn ook tegen, natuurbeschermers zijn voor, vegetariërs drinken de melk maar laten het kalf staan, veganisten laten liever een flesje sojamelk invliegen, Fransen maken er liever kaas van, maar twijfelen zó lang met het eten van die kaas dat de beestjes er aan alle kanten uit  kruipen, en God vraagt Zich zo langzamerhand wanhopig af waar Hij in Godsnaam aan begonnen is. Die begrijpt nog steeds niet waar die melkkoe vandaan is gekomen. Hij had zo’n leuke collectie dieren geschapen, maar toen grepen wij de macht.
Wij weten het uiteraard allemaal veel beter dan wie ook, inclusief de uitvinder van het hele spul.  Wat er ook gebeurt, de Aarde mag bevriezen, opwarmen, droogkoken, we hebben alles onder controle, en zijn er heilig van overtuigd dat wij degenen zijn die de Aarde kunnen redden van de chaos die we zelf hebben veroorzaakt. 
“Weet zo’n Schepper veel?” Dachten we al meteen toen we op de Zevende dag  ’s ochtends vroeg wakker werden. Dat moest beter kunnen; hoe goed we daarin zijn geslaagd, kunnen we iedere dag bewonderen in bijvoorbeeld hondenfokkerijen en in dat technologische hoogschandje dat we bio-industrie noemen. Wolven hebben we verbouwd tot stripfiguren als poedels, chihuahua’s en Shar-pei’s, het wilde zwijn vinden we terug als een soort vleesgeworden spaarvarken, en van het stoere, trotse oerrund hebben we een triest kijkende, knokige melkfabriek, bijgenaamd Betsie 35 gemaakt. Dat hebben we toch maar mooi geflikt. We mogen trots zijn op onszelf.

Ook al weten we nog steeds niet of het verstandig is om melk te drinken, na jarenlange studies en dubbelblinde tests is wel vast gesteld dat we zonder schuldgevoel de rest van ons leven iedere dag 2 stukjes pure chocolade mogen eten. Of 3 stukjes melkchocolade. Van chocolade eten gaan we ons gelukkig voelen. Niet omdat er een stofje in zit waar we gelukkig van worden, maar omdat we denken dat er een stofje in zit waar we gelukkig van worden. Chocolade is een placebo voor zichzelf. Als we ooit begrijpen hoe dat in onze hoofden werkt dan kunnen we alle farmaceutische laboratoria, vivisectielokalen en fabrieken sluiten. Dan genezen we niet meer door het middel, maar door het etiket, als dat tenminste suggestief genoeg geschreven is. Zou het ook omgekeerd werken? Zou je zelfmoord kunnen plegen met een placebo Pil van Drion?
Terwijl we vol aandacht het programma volgen, houden we regelmatig  vol argwaan onze smartwatch met stappenteller en bloeddrukmeter in de gaten. Zie ik daar een piek? Dreigt mijn hart te bezwijken of bonkt het van opwinding door de gedachte aan die 2 blokjes chocolade? Laat ik dan toch voor alle zekerheid maar een mandarijntje nemen. Want iedere dag zo’n roffeltje en ik kom volgens de laatste studies gemiddeld 2 uur, 18 minuten en 3 seconden eerder aan bij de uitvaartondernemer.

Voortschrijdend inzicht heeft onze blik vernauwd tot een angstvisioenentunnel die rondom behangen is met foto’s van dichtgeslibde aderen, vervettende levers, en andere symptomen van genot. Steeds beter beginnen we te begrijpen dat een lang leven en geluk niet te combineren zijn.
Vorig jaar dachten we nog dat af en toe een snufje leuk wetenschappelijk, voedingstechnisch en moreel verantwoord is. Een gram roomboter per maand zou moeten kunnen, en een kwart glaasje macro-biologisch-dynamische vlierbessenwijn op Oudejaarsavond, en voor de sterk verslaafden een trekje van een sigaret per 5 maanden, onder toezicht van een dokter geïnhaleerd onder een afzuigkap om geen onschuldige omstanders te besmetten, dat was volgens de experts nog net te doen.

Tegenwoordig, met onze steeds beter bijgewerkte statistieken weten we beter. Zelfs van het kijken naar een foto van een glas rode wijn zou je leven statistisch al bekort worden met 0,0002 miliseconde. Suiker is de nieuwe alcohol, zout het nieuwe roken, ongezondheid is de nieuwe pornografie. Nog even en er verschijnen in obscure achterbuurten, lokalen met schemerlicht en cabines waarin je voor € 1,- een minuut kunt kijken naar een blokje spek of kaas.
Oud worden moet. Daarom worden in ons eigen belang alle genoegens afgeschaft.

En zo hebben we, na de boterberg, de melkplas, de wijnzee, de windmolenparken, de plasticsoep, het broeikasgas en de mestvaalt een nieuw welvaartsverschijnsel geschapen: de Grijze Garde.
Waar je ook kijkt, overal wordt het uitzicht belemmerd door oudjes. Je kunt geen selfie meer maken zonder een hinderlijk in beeld verschijnende kwijlende bejaarde, zwaar over de datum, maar zomaar weg gooien doe je niet, want dat is niet netjes.
In supermarkten, in parken, musea, op straat kom je ze tegen, schuifelend achter hun rollator want drie maal per dag moeten ze wandelen van de dokter. Dat is goed voor de gezondheid, samen met vetarm en vezelrijk eten, weinig calorieën en veel vitaminen, geen sigaretten, en geen alcohol. Oud worden doe je volgens de meest recente inzichten door alle leuke dingen uit je leven te bannen.

Maar wat is de zin van dat dwangmatige oud worden? Waarom willen we dat? Wat winnen we ermee? Ik hoop van harte dat binnenkort een wetenschapper zich stort op het onderwerp “Zin of onzin van het vergrijzen”. 
Oud worden is leuk, maar het gaat me te ver om er mijn leven voor op te geven.

Zolang de oudjes nog mobiel zijn en de dokterspraktijk op eigen gelegenheid kunnen bereiken hebben ze in ieder geval nog een functie in de maatschappij. Werk voor de dokter. Want de dokter ziet een uitdaging in dat aftakelende lichaam. Wat speelt zich daar binnen af? Hoe kunnen we dat stoppen? Een begrijpelijke menselijke reactie, zeker van een gedreven arts. Maar hebben we er ook iets aan? De gedrevenheid van de arts en de razendsnelle ontwikkelingen in de geneeskunde lossen geen probleem op, ze veroorzaken juist problemen. Een betere invalshoek zou dan ook zijn: waarom zouden we dat ziekteproces stoppen?

Het zoveelste natuurlijke evenwicht wordt door onze hebzucht verstoord. Dit keer is onze hebzucht niet gericht op bezit, maar op zo lang mogelijk leven. 
We gingen al gebukt onder overbevolking, maar nu dat bevolkingsoverschot ook nog steeds meer wordt gedomineerd door afgeschreven, onbruikbare bejaarden wordt de hele maatschappij financieel uitgehold.
Steeds minder mensen moeten steeds meer monden vullen en worden met steeds sneller stijgende reparatiekosten van al die oudjes opgezadeld.

Ik vind de ontwikkelingen razend interessant en volg ze zo veel mogelijk, maar sta wel heel kritisch tegenover het nut van de ontwikkelingen.
Heb ik makkelijk praten? Nee, juist niet. Ik maak deel uit van het probleem. Ook al voel ik me geestelijk nog een puber, mijn lichaam is zijn T.H.T. datum blijkbaar gepasseerd. Misschien ben ik een maandagmorgen-product, of brachten mijn loensende ogen met toen al op een dwaalspoor, of zat er een ongewenste knik in mijn zweepstaartje. Doet er niet toe, ik ben tot mijn volle tevredenheid opgescheept met mezelf, en word op kosten van de gemeenschap met pillen en poeders aan de gang gehouden. Maar dat is nu waarschijnlijk niet meer voldoende. Mijn onderdanen beginnen steeds harder te protesteren, en ik ben erg benieuwd wat de neuroloog daar morgen over gaat vertellen.

Wat ik me nog het meest afvraag is of er bij de keuze van de behandeling rekening wordt gehouden met mijn leeftijd en mijn maatschappelijke onvermogen. Ik draag niets meer bij aan de economie. Ik ben afgeschreven; op de Rijksbegroting sta ik aan de creditzijde. Een auto in mijn conditie zou allang gesloopt zijn voor de onderdelen. Dat is eigenlijk wel een leuke gedachte; dan kan iemand anders de wereld ook eens door mijn ogen zien. Of die iemand daar ook gelukkiger door zou worden is een heel andere vraag.
Krijg ik de zelfde behandeling als een dertigjarige die immers nog minstens 30 jaar de tijd heeft om de reparatiekosten terug te verdienen door steentjes bij te dragen aan de maatschappij?
Of wordt er in mijn geval alleen maar iets gedaan om “mijn laatste jaren” zo aangenaam mogelijk te maken? Met een rollator, een soort buitenboordbeugel om mijn rug een beetje in positie te houden en een paar kilo pillen of zo? Het eerste heeft natuurlijk mijn voorkeur, maar het laatste zou ik het meest logisch vinden.

Hoewel wij zelf diep onder de indruk zijn van onze eigen intelligentie en onze superioriteit over de ‘lagere diersoorten’, kunnen we vaak nog steeds een voorbeeld nemen aan die ‘lagere diersoorten’ en aan de natuurlijk tot stand gekomen kringlopen.
Een kudde opgejaagde antilopen (om zomaar een voorbeeld aan te halen, want de hele “primitieve” natuur hanteert dat zelfde principe) beschermt de jeugd door die in het veilige midden te nemen. Opa en Oma, die voor de soort geen waarde meer hebben, worden daarentegen quasi-nonchalant naar de rand van de kudde geduwd, waar ze een makkelijker prooi vormen voor de jagers. De overbodige dieren worden opgeofferd om de soort sterker te maken. “Survival of the Fittest”, de natuurlijke selectie ten top klinkt misschien gruwelijk maar is juist humaan. De soort profiteert ervan.

In de natuur worden de oudere en zwakkere beesten gegeten. Die zijn weliswaar een beetje taai, dus er moet wat beter op worden gekauwd. Maar oude taaie beesten eten is humaan, logisch. Wat wij doen, juist de jonkies eruit pikken en die voortijdig vermoorden omdat ze dan nog zo lekker mals zijn, dat is onmenselijk. Zeker omdat die ukkies in dat al veel te korte leventje niet eens de kans krijgen om te genieten. Hun plezier kost de boer geld, en de klant dus ook. En lekker moet vooral betaalbaar blijven.
Niet de natuur is wreed, de beschaafde mens is wreed, en niet uit noodzaak maar om onze smaakpapillen te verwennen.

Als rechtgeaarde belegen Nederlander zou ik uit automatisme zuchtend en piepend moeten klagen hoe wij arme bejaarden door “Den Haag” financieel worden uitgekleed en dan ook nog met onze kwakkelende gezondheid aan ons lot worden overgelaten. En dat na alles dat wij hebben gedaan om Nederland na de oorlog weer op te bouwen.

Maar hoe het me ook spijt, ik krijg het niet voor elkaar om mezelf te beklagen. Integendeel, ik voel me bevoorrecht omdat ik als individu word behandeld in plaats van als een misbaar onderdeel van een kudde. Natuurlijk ben ik blij dat ik niet door de volgende generatie als voer wordt geofferd aan de hongerige beesten, maar we schieten door. We kennen geen grenzen meer, wij willen ieder jaar meer en beter, meer geld, minder werkdruk, langer leven. 
Ons lichaam is gebouwd om een jaar of veertig mee te gaan. Ieder jaar meer is meegenomen, maar het is blessuretijd, letterlijk, want die winst wordt betaald met kwaaltjes. Oude mensen krijgen, net als oude auto’s mankementen, waar we eens onherroepelijk, op een milde manier aan stuk gaan. Tenzij we door de kudde worden aangeboden als een makkelijke prooi aan een natuurlijke vijand.

Maar in plaats van ons over te geven aan dat vriendelijke natuurlijke proces, gaan we al die kwaaltjes stuk voor stuk te lijf. Ieder jaar ondergaan de senioren een soort APK keuring. Er wordt een vragenlijst afgewerkt over sportieve prestaties, eet- en drinkgewoontes en alle andere mogelijke bezigheden die van invloed kunnen zijn op De Gezondheid. Bloed en urine worden nauwkeurig onderzocht en aan de hand van alle uitslagen wordt een pillenprogramma opgesteld voor het komende jaar om hartslag, bloeddruk, cholesterol, suiker zo dicht mogelijk in de buurt van de normen te krijgen. Alles voor het grote doel: zo lang mogelijk doorgaan met ademhalen. Overleg met de patiënt is geen onderdeel van de keuring. “Ik heb het recept al doorgestuurd naar de apotheek. Als je daar nu naartoe loopt liggen de pillen al klaar.”

En zo worden we, dankzij het vakmanschap van de dokter steeds ouder. Inmiddels worden we al gemiddeld 83 jaar oud, twee keer ons normale rantsoen. Maar die 83 jaar bereiken we krakend, piepend, en vooral klagend over al die kwaaltjes, die het gevolg zijn van onze eigen hebzucht of van de targets van de artsenij.
Ook dit keer maken we van een natuurlijk proces een slapstick, waar we zelf uiteindelijk als slachtoffer uit komen. Omdat we alle kleine kwalen te slim af zijn, worden de ziektes waar we onherroepelijk eens aan overlijden, steeds gruwelijker.
Als je de statistieken bekijkt, dan zou je de indruk krijgen dat kanker en hart- en vaatziekten steeds agressiever worden; vijanden die steeds meer macht lijken te grijpen. Die indruk is vals. Kanker en hart- en vaatziekten rukken niet op omdat ze steeds machtiger worden. We hebben hun concurrenten uitgeschakeld. De beste manier om kanker te slim af te zijn is niet door steeds zwaardere wapens in te zetten, maar gewoon door te overlijden aan een griepje. Je hoeft er niets voor te doen, en het bespaart je zomaar een lang, pijnlijk en kostbaar traject.

We moeten een keer tevreden zijn met wat we hebben. Niet alleen als het om geld gaat maar ook wat levensduur en gezondheid betreft. En wij hebben hier in Europa zoveel zonder dat we dat beseffen.
In India, Senegal, of noem nog maar een paar honderd andere landen op, zouden mensen als ik in eenzaamheid kreperen, zou geen dokter naar ons omkijken.
Ik voel me extra bevoorrecht omdat ik in Swifterbant woon, in een verrukkelijk huis, met uitzicht op een bewegend schilderij, met genoeg geld om te doen wat ik wil, met de mooiste mensen als vrienden. Dat had, ook in Nederland heel anders kunnen zijn. Als ik in Amsterdam of in een open inrichting in het Larserbos had gewoond, dan zou ik me heel wat minder gelukkig voelen dan nu.

Dat ga ik me steeds meer realiseren, juist nu ik minder mobiel ben, en daardoor weinig meer te doen heb dan denken en schrijven. Ik ben een dolgelukkig mens. Als ik even die prachtige en tegelijk zo lelijke periode uit mijn leven weg denk, dan ben ik nu veel gelukkiger dan ik daarvóór ooit ben geweest. Zelfs dat ik toen minstens 4 maal zoveel geld te besteden had dan nu, zegt me helemaal niets. Integendeel; als je alles hebt, dan ben je nergens mee te verwennen, als je niets hebt dan ben je overal blij mee.

En ik hoef me ook niet te vervelen. Dankzij mijn kwaaltjes krijg ik het ene onderwerp na het andere om over te bloggen gratis in mijn schoot geworpen. Tijdens het schrijven van deze post zijn legio onderwerpen verwekt die roepen om geboren en getogen te worden.
De afgelopen weken heb ik noodgedwongen overwegend schrijvend doorgebracht, zittend aan mijn eettafel met uitzicht op het parkje, en als het moet dan heb ik er geen enkele moeite mee om op deze manier 90 jaar te worden. In tegendeel, in sommige opzichten is het een bevrijding om sommige dingen niet meer te kunnen doen, omdat je daardoor wordt gedwongen om je te concentreren op de dingen die overblijven. Minder bezigheden betekent méér aandacht voor de overgebleven bezigheden. Ik heb daarbovenop nog het geluk dat ik praktisch alleen nog maar die dingen kan doen die ik het allerleukst vind. Praten met mensen over dingen die er toe doen, of mijmeren over de wereld, over mensen, over geloof, de economie, het klimaat, en het resultaat van dat mijmeren zo goed mogelijk onder woorden zien te brengen. Al zou ik maanden nodig hebben om één onderwerp af te handelen, dan is er in die tijd wat mij betreft geen seconde verloren gegaan. Want ik geniet ervan.

Natuurlijk wil ik graag, liefst in topconditie maar desnoods strompelend, stokoud worden. Maar als ik daarvoor alle dingen moet laten staan die het leven zijn charme geven, dan mag het wat mij betreft wel iets minder worden dan stokoud. Bovendien is het geen harde keuze tussen wel of niet oud worden. Door je leefstijl te veranderen vergroot of verklein je je kans op een paar jaar meer of minder met procenten. Dat je een lot extra koopt biedt geen garantie dat je de loterij wint.

En ik mag me ook best realiseren dat sommige van mijn lezertjes ooit een zucht van opluchting zullen slaken: “Hèhè, er is er ééntje tussenuit gepiept. Nu kunnen we eindelijk eens wat geld uitgeven voor onszelf.”