Toen onze Loek een Loekie was

Soms word je onbewust en ongewild terug gesleurd in de tijd. Gisteren gebeurde dat ook. Iemand bloosde. Niet mijn soort rood worden van verlegenheid, maar het verkleuren dat hoort bij vrouwen in de overgang. Oestrogeen is een verdovend middel; daarom kunnen vrouwen de geboorte van een baby aan. Vrouwen, althans de meeste vrouwen, vinden zichzelf stoer omdat ze beter tegen pijn zouden kunnen dan mannen, maar dat idee is nep. Vrouwen hebben een drugslaboratorium aan boord. Ze maken hun eigen pijnstiller aan. Oestrogeen zou eigenlijk onder de opiumwet moeten vallen. Maar zodra de kinderfabriek op slot gaat, wordt ook het drugslab gesloten, en dan komen de afkickverschijnselen, beter bekend als “opvliegers”. Maar rood worden is rood worden, en op slag was ik weer terug in mijn jeugd, in de vijftiger jaren in Amsterdam Oost.

Waarschijnlijk ben ik door mijn ouders op een maandagochtend, na een uitbundig weekend, overhaast in elkaar gezet. Want als klein kind week ik al “een beetje” af van mijn leeftijdsgenoten. Voetbal vond ik al vanaf mijn vijfde verjaardag een bezigheid “voor de kleintjes”, ik had peentjesrood haar, was ’s zomers royaal versierd met sproeten, en om het beeld compleet te maken sliste ik. Daar bovenop kwam nog die naam, Loek! Waarschijnlijk de enige Loek in heel Amsterdam, en zo niet, dan in ieder geval van een zeldzame soort. “Zo noem je je kind toch niet? Had me maar Jan genoemd, of Piet, Henk. Dan val je niet op.” Dacht ik regelmatig. Ik had moeiteloos ontdekt kunnen worden als model voor een stripfiguur.

In Amsterdam ben je in zo’n geval een voor de hand liggende bron van grappen, wat erg goed is voor het ego van een klein jongetje. Ik was het hoogtepunt van onzekerheid. Als iemand me iets vroeg, werd ik daardoor standaard knalrood.
Dat riep uiteraard nog meer hilariteit op. “Je wordt rood!” Om vervolgens uitbundig naar eventuele andere aanwezigen te roepen dat ze dat fenomeen beslist moesten komen bewonderen. Als ik in de buurt was hoefde niemand zich te vervelen. Als de gespreksstof was uitgeput, dan kon ik worden ingezet, met mijn tovertruc.

Waarom mensen dat doen, waarom mensen elkaar zo kleineren, zelfs zo’n klein, onschuldig ventje als ik was, daar stond ik toen helemaal niet bij stil. Het gebeurde, het deed mij pijn, en omdat iedereen mee lachte, nam ik ook aan dat ze een goede reden hadden om me uit te lachen. Zo bezorg je een kind de indruk dat het mislukt is. Als een Pavlov hondje word je geconditioneerd om al te blozen als iemand je alleen maar aankijkt. Om dat te vermijden trok ik me terug. Boeken werden mijn vriendjes. Ik verstopte me erachter en las altijd. Omdat de hoeveelheid kinderboeken nu eenmaal niet onbeperkt is, begon ik uiteindelijk maar boeken voor volwassenen te lezen. Biologie, natuurwetenschappen, Sloot en Plas in Kleur, Het Ontstaan van het Heelal, Wat Groeit en Bloeit en Altijd weer Boeit. Ik genoot in mijn eigen, veilige wereldje en de boeken werden dan ook steeds dikker. Ze werden zelfs zo dik en serieus, dat dat een nieuwe bron van grappen begon te worden. Naast “vuurtoren” en “rooie” werd ik ook de “professor”. Noodgedwongen deed ik maar weer een stapje terug en begon braaf Fulco de Minstreel en De Scheepsjongens van Bontekoe te herlezen.

Jonge kinderen die veel lezen, worden bijziend. Zo werd ik het eerste jongetje in de straat met een brilletje. Dat kon er ook nog wel bij. Niet dat de bril zelf een drama was, maar het brilletje gaf wel weer een extra impuls voor verse grappen. Bovendien vond ik schoolboeken ook leuk om te lezen, en werd ik dus zonder inspanning de beste leerling van de school.

Rood, sproeten, blozen, een brilletje, slissen, de beste van de school, roepnaam Loekie. Kan het nog erger? Ja, er was nog ruimte voor verbetering. Ik was linkshandig, wat me  op de Lagere School door een op Eucalypta de Heks lijkende juffrouw van Wijk met verbaal geweld en met veel tikken met een lineaal werd afgeleerd.