Stel je voor...

Revisie 3, zondag 22 oktober 2017

Ik ben altijd een braaf jongetje geweest; ik vind mezelf, eerlijk gezegd, nog steeds een braaf jongetje. Ik kan het commentaar nu al horen: “Joa, dat hebbu wu gemerrukt.” Dat ik braaf ben, betekent niet dat ik me laat oplichten.

We gaan gewoon verder. Als ik heel vroeger, toen ik nog klein was, in Amsterdam op straat speelde, dan kwam het niet in mijn hersens op om stoute dingen te doen. Maar toch, als ik wist dat mijn moeder in de buurt was of uit het raam keek, dan voelde ik me spontaan nòg braver worden. Ook als ik heel in de verte een blauw uniform zag, dan verroerde ik geen vin meer, stak mijn handen in mijn zakken, ging kaarsrecht op staan, trok mijn allerbraafste gezicht, en durfde zelfs niet meer aan ondeugende dingen te denken.

Als je weet dat iemand je in de gaten houdt, dan word je nu eenmaal braaf. Niemand laat zich graag op heterdaad betrappen.

Driekwart van de mensheid is gelovig; heb ik ooit eens gehoord. Ik ga het niet controleren, ik kijk niet op een paar meer of minder. De meeste gelovigen gaan ervan uit dat hun gangen dag en nacht in de gaten worden gehouden.

Mensen die in de gaten worden gehouden, gedragen zich keurig, dus zou je mogen aannemen dat de hele wereld één groot toonbeeld van fatsoen moet zijn. Respect voor elkaar, handen thuis houden, niemand belazeren. Kortom, dan werd het nieuws een heel stuk positiever.

Kitty, van dat boek waar ik een tijdje geleden over schreef, vindt dat dat ook zo is. Zij schrijft zelfs dat de mens het bevoorrechte ras is omdat “wij reageren op God.”

Tijd voor een wegomlegging in dit verhaal. Ik geloof niet. Ik denk dat hierna niets komt, en als er wel meer is dan dit aardse bestaan, dan is dat een bonus. Maar zelfs als dat zo is, denk ik niet dat geloof een vereiste is voor een plek in een hemel. Bovendien, laten we er even van uit gaan dat er een schepper is. Wie is hij dan? Stel je voor dat je je hele leven Rooms-Katholiek bent geweest, en je wordt boven opgewacht door Vishnu? Dan heb je een probleem, misschien. Dan ben je mogelijk je hele leven voor niets braaf geweest. Of je bent wel braaf geweest, maar op de verkeerde manier. Het wordt nog erger als het Zeus blijkt te zijn, want die kreeg het voor elkaar om in zijn eentje alle zonden te plegen die je maar kunt verzinnen. Zeus was, zoals Coby en ik dat noemden, een wildwipper. Die heeft heel wat halfgoden gezaaid, en van een borrel of een leugentje was hij ook niet vies. Dus Zeus lacht je alleen maar uit als je hier op aarde je best hebt gedaan.

Ik blijf neutraal, dan kan me niets gebeuren, denk ik. Als ik toevallig boven aankom, dan kan ik in ieder geval niet beschuldigd worden van heulen met de vijand.

We zijn weer terug op de gewone route. “Wij reageren op God.”

De denkende mens begon enkele miljoenen jaren geleden gestalte te krijgen. Toen begon er een verschil te ontstaan met de andere aardbewoners. In de loop van de tijd werd dat verschil steeds groter. We ontwikkelden, of kregen, handen waarmee we voorwerpen konden dragen, we begonnen vuur te maken, gereedschappen te vervaardigen etc; allemaal symptomen van een ontluikende besmettelijke beschaving, in een embryonaal stadium.

We begonnen onze doden te begraven, respectvol met bloemen en giften. We voerden rituelen uit, bijvoorbeeld voor de dieren die we hadden gedood. In sommige onbeschaafde, wilde culturen gebeurt dat nu nog steeds. Er zijn, in achteraf gebieden waar de beschaving nog niet is doorgedrongen, primitieve stammen die zich schuldig voelen als ze een wezen van het leven hebben beroofd. Ze bieden daarom hun excuses aan aan het beest, en smeken hun heidense goden om rust voor het dier. Zo achterlijk.

Dat zijn tekenen van onbeschaafdheid. Hoe beschaafder we werden, hoe beter we begrepen hoe we met dieren moeten omgaan.

Toen we nog helemaal onbeschaafd waren, wachtten we, hongerig maar geduldig, tot beesten van ouderdom waren overleden. Daarna begonnen we te jagen en doodden we de beesten die zich het makkelijkst lieten doden, de zieke en zwakke dieren dus. Daarna werden de jachttechnieken geleidelijk geavanceerder en hoefden we ons niet meer op de zwakke dieren te concentreren. Speren en stenen zijn ook gezonde dieren te snel af.

Ook die tijd ligt gelukkig ver achter ons. Sinds de uitvinding van de veeteelt zijn we steeds minder afhankelijk geworden van de jacht. En nu zijn we gelukkig al zo ver dat we niet eens meer afhankelijk zijn van de diersoorten die we cadeau hebben gekregen. We hebben onze eigen soorten geschapen. Koeien die veel efficiënter zijn dan die stomme oerrunderen, we hebben zelfs aparte soorten runderen ontwikkeld voor vlees en melk. De techniek staat voor niets. Varkens, kippen, geiten, katten, honden; we hebben ze allemaal opnieuw uitgevonden, beter en vooral rendabeler. We hebben kippen ontwikkeld die in 6 weken onder hun eigen gewicht door hun poten zakken. En de ontwikkelingen staan niet niet stil. Er is ruimte voor verbetering. Ooit zijn we zo ver, dat je bij wijze van spreken de barbecue al kunt aansteken als het ei uitkomt.

Lammetje, twee weken oud. Zo lief en aaibaar.

Wij zijn de baas over het spul, het bevoorrechte schepsel, wij heersen over de dieren, wij mogen bepalen hoe die beesten leven, hoe oud ze mogen worden, en hoe we ze afmaken. Lammetjes zijn lekkerder dan schapen; hoe jonger hoe lekkerder, dus snijden we bij voorkeur hun keel door, of jagen we ze een pen door de kop, als ze drie weken oud zijn. Dan zijn ze heerlijk mals. Pech voor het lam, maar mazzel voor ons.

Het eten van een lammetje valt ruimschoots binnen de grenzen van ons fatsoen. Daar hebben we geen moeite mee. Maar zodra we horen dat in een Chinees gehucht honden worden gegeten, dan staat ons fatsoen op zijn achterste poten. “Dat doe je toch niet, zo’n onschuldige hond opeten!”. En vooral de beestachtige manier waarop die honden worden vermoord. Walgelijk! Nou…, op de zelfde manier waarop onze koeien, kippen en lammetjes worden vermoord.

Coby en ik hebben vroeger, in discussies over diervriendelijkheid, vaak gevraagd of mensen nog vlees zouden eten, als ze zelf een dier zouden moeten vangen, slachten en uitbenen. Het standaard antwoord is: “Als het moet, als ik anders dood ga van de honger, ja natuurlijk zou ik dat dan doen.”
“Maar het is geen kwestie van leven of dood. Zou je het gewoon kunnen voor een lekker stukje vlees?” Geen reactie; zo snel mogelijk over op een ander onderwerp.

Vorige week hoorde ik een discussie over wat de beste leeftijd is voor een kip om geslacht te worden. Geven we ze een beetje meer tijd of niet? Een deskundige vond dat niet zinvol. De kosten lopen op, het milieu wordt zwaarder belast, en de kip heeft er ook niets aan.
Dat laatste, daar heeft hij groot gelijk in. De kip heeft er niets aan, voor de kip is het leven alleen maar een kwelling. Maar wel een kwelling met een hoger doel: onze smaakpapillen betaalbaar verwennen. Help die beestjes maar zo snel mogelijk uit het lijden, dat wij ze aandoen.

Het zelfde lammetje, een maand later. Zo lekker.

Stel je voor…

Er is een schepper die ons in de gaten houdt. Zal hij dan trots op ons zijn omdat wij “op hem reageren”? Of zal hij iedere dag verbijsterd op ons neer kijken en stamelen: “Ik bedoelde het zo goed.”?

Mocht er op ons worden neer gekeken, dan mogen wij, de bevoorrechte schepsels, waarschijnlijk achter aansluiten bij de wachtrij. Achter de koeien, varkens, kippen, en alle andere dieren, die daar hopelijk eindelijk een beetje geluk mogen voelen.