Ik moet even pruttelen

De afgelopen dagen is er weer heel wat over me heen gekomen. Terwijl ik nog bezig was met de genezing van mijn eierstokkanker kreeg ik te horen dat dit nog niet de laatste ronde is geweest.
Dan zoek je onbewust steun; je gaat mensen opbellen in de hoop op opbeurende gesprekken.

Dat kun je wel vergeten; het lijkt wel of mensen dan perse het laatste stukje grond onder je voeten vandaan moeten graven.
De grootste kreet was… nou je wist toch dat het erfelijk was?
Nou nee, dat wist ik niet. Wat ik wel wist is dat er in mijn familie veel mensen aan kanker zijn overleden, maar dat wil nog lang niet zeggen dat het erfelijk is. Als het zo makkelijk zou zijn dan had het AvL geen onderzoek van 6 maanden hoeven doen.

Neem bij voorbeeld mijn vriendin Ria. In haar familie zijn er al veel mensen overleden aan kanker en toch is het daar niet erfelijk.
Ook in mijn familie zijn er veel gevallen van kanker geweest, en natuurlijk denk je dan onbewust dat het erfelijk zou kunnen zijn, maar als je dan echt hoort dat er bij jouzelf een genetische afwijking is geconstateerd, dan komt dat hard aan. Het is dan geen kans meer, het is opeens zekerheid geworden.

Niemand kan begrijpen hoe dat voelt, behalve de mensen die het zelfde hebben meegemaakt.

Op het moment dat je dat hoort, heb je steun nodig, liefde, begrip. Als je in plaats daarvan dan aanvallen krijgt, of terechtwijzingen, dan voel je je opeens eenzaam. Dan is de wereld opeens een koud, winters landschap, ook al schijnt de zon.

Toen ik het hoorde, was het eerste dat er in mijn opkwam niet eens angst voor mijn eigen toekomst, maar bezorgdheid voor mijn kinderen, en mijn neven en nichten. Dat ik zelf kanker had was bekend, maar zij zouden het ook kunnen krijgen. Als ik ze niet waarschuw zouden ze kunnen overlijden, en dat heb ik dan op mijn geweten.

Als je dat dan tegen een buitenstaander zegt, krijg je ijskoud als reactie: “Ik zou het niet willen weten hoor of ik zo’n foute gen heb” en wordt me een schuldgevoel aangepraat omdat ik ze heb gewaarschuwd.

Hier word ik doodmoe van en ik heb me maar voorgenomen om niets meer uit te leggen.

Omdat ik in de regel altijd positief ben, denken sommige mensen dat eierstokkanker net zoiets is als een bloedneus. Dat is het niet, aan een bloedneus ga je niet dood en aan kanker wel.

Ik wil niet zeuren, ik wil niet klagen, ik wil zelfs niet meer denken aan al die nachten dat ik heb liggen huilen van angst, of de dagen dat ik kotsend over de wasbak heb gehangen door die levensreddende rot chemo, maar wat ik wel wil, is een beetje begrip als ik dat nodig heb. Wat ik in ieder geval niet kan gebruiken is verwijten, aanvallen of belerende opmerkingen die nergens op slaan.

Aan de zijlijn staan is zo makkelijk, maar ik zou er een boek over kunnen schrijven wat deze ziekte met je doet.

Gelukkig zijn er ook mensen die lief zijn, die gewoon opbellen om te vragen hoe het met me gaat en hoe ik me voel.