Een andere invalshoek

Heel lang geleden ben ik begonnen met bloggen om feitjes te delen met bekenden, commentaar op de wereld te spuien, en om herinneringen op te halen. Een onschuldige hobby. Toen ik in september 2009 merkte dat nagenoeg alle leden van mijn “vorige leven” aan mijn digitale lippen hingen, veranderde dat onschuldig bedoelde webblog in een uitlaatklep waarmee ik me kon afreageren op al die schertsfiguren die in die tijd op me jaagden alsof ik een dolle hond was die moest worden afgemaakt.
Na afloop van die drie jachtpartijen, blogde ik verder om die zelfde schertsfiguren vol overgave uit te lachen omdat ze in plaats van mij alleen maar talloze bokken hadden geschoten. Therapeutisch bloggen noemde ik dat. Dat was fout en stout van me. Jachtpartijen met leugens, rot streken en achterklap als wapens zijn toegestaan, jezelf openlijk verdedigen, de jacht overleven en daarna de jagers uitlachen op het internet, dat is niet geoorloofd, streng verboden. Als er op je wordt gejaagd, dan moet je zo fatsoenlijk zijn om doodstil te blijven zitten als een konijn in het licht van een koplamp.

Vorig jaar heb ik eens geschreven dat ik blog als vervanging voor die heerlijke gesprekken die jij en ik altijd hadden, hier aan de keukentafel, of bij het raam van het appartement in Santa Margarita, of op één van onze favoriete terrasjes aan de boulevard. Maar die manier van bloggen schenkt me nauwelijks voldoening. Het lukt me niet om mijn mening op een luchtige manier in woorden te vangen; het geeft me een negatief gevoel. Voor wie doe ik dat? Denk ik daar iets mee te veranderen? Nee, natuurlijk niet. Daarom deden wij vroeger ook niets met onze babbels, zoals jij ze noemde. Wij wilden van elkaar weten hoe we over dingen dachten, over geloof, politiek, dieren, milieu. We gingen met die gedachten niet de straat op, en ook niet het internet. Hooguit werden het gespreksonderwerpen als er vrienden op bezoek kwamen.

Nu moet ik ook niet de straat op gaan, en zelfs niet doen alsof ik schrijf voor de rest van de wereld. Tien miljard Nederlanders spuiten al dagelijks hun deskundige mening als diarree over het internet; over landelijke en lokale politiek, sport, BN’ers, politie, bedrijfs- en seksleven, belastingstelsel, energie, wild-, water- en natuurbeheer, immigratiebeleid, emancipatie, vrijheid van meningsuiting, privacy, buren, vrienden en vijanden. Op Facebook en Twitter, in reacties op krantenberichten, op blogs en “alternatieve media”. Wil ik daar bij horen? Nee, dat wil ik niet. Maar toch heb ik een groeiende collectie meningen die ik niet meer bij je kwijt kan, over landelijke en lokale politiek, sport, BN’ers, politie, bedrijfs- en seksleven, belastingstelsel, energie, wild-, water- en natuurbeheer, immigratiebeleid, emancipatie, vrijheid van meningsuiting, privacy, buren, vrienden en vijanden.
Aan de tafel- en terrasbabbels is een einde gekomen, in blogvorm wil ik het eigenlijk ook niet. Maar hoe dan wel? De enige manier die ik kan bedenken is aan jou schrijven. Op papier doen alsof je tegenover me zit. Wat de rest van de wereld daarvan vindt, dat kan ik wel zo’n beetje raden. “Hij is gek geworden”, of waarschijnlijk zelfs “hij is nòg gekker geworden”. Maar dat interesseert me geen lor. Of het vaker zal gebeuren, of dat het bij een éénmalige actie blijft, dat zal de tijd moeten leren.

Jij, mijn lief, mijn alles, de andere helft van de twee-eiige eenling die wij samen waren, bent niet meer hier, waar je zou moeten zijn. Waar je wèl bent, daar kan ik alleen maar naar raden.
Jij zelf had een rotsvast vertrouwen in een hemel en een schepper die al zijn kinderen boven liefdevol opvangt. Niemand wordt verbrand of vernietigd. Zoals je dat zelf zei: “God is de Vader in de Hemel, en geen vader laat zijn kinderen branden.”
Je aller-aller-allerlaatste woorden hoor ik je nog iedere dag zeggen: “Zie het maar zo, ik ga vast vooruit om een mooi plekje aan het strand uit te zoeken.”
Door dat vertrouwen kon je op 18 april 2016 met een gerust hart in slaap vallen. Voor jou was overlijden niet meer dan een bel-voor-de-volgende-ronde: De Hemel. Misschien is er in die hemel wel een Levantestrand voor je nagebouwd. Misschien is de hemel een duplicaat van de Aarde, en zit je nu in gezelschap bij Les Dunes, met die lekkere stoeltjes en die correcte bediening: Jij en je moeder met een biertje of een glaasje Port, Paps met een half glaasje Côtes du Rhône en Mams met een kopje thee of een glaasje appelsap, niet uit de koelkast. Ik gun je die hemel van harte, je verdient er een ereplaats.

Ik zelf zie geen redenen om in een schepper of een hemel te geloven. We kunnen niet bewijzen dat God bestaat, maar we kunnen ook niet bewijzen dat Hij niet bestaat. Ik praat graag over geloof, maar voor mij is het een theoretisch model. Ik vergelijk de verhalen over God met wat de realiteit om me heen laat zien. Ik ben een agnost.
Naar mijn idee gaan we na ons overlijden terug naar de situatie van vóór de geboorte, is het leven dus niet meer dan een korte onderbreking van een eeuwige dood.

Maar dan zou de dood zich herhalen, en als de dood zich herhaalt, dan geldt dat misschien ook voor het leven. In de natuur gaat niets verloren, alles wordt hergebruikt. Geldt dat dan ook niet voor onze ziel, ons karma, of ons “ik-gevoel”? Wat voor God geldt, geldt ook voor reïncarnatie. We kunnen niet bewijzen dat reïncarnatie niet bestaat; ook kunnen we niet bewijzen dat het wèl bestaat. Als reïncarnatie bestaat: Worden we dan (iedere keer) weer als mens geboren? Of gebeurt dat in een willekeurige vorm? Als olifant, leeuw, mier bijvoorbeeld. Misschien moeten we alle levensvormen een keer beleefd hebben.

Terug komen als een musje zou wel iets voor jou zijn. “Ach, kijk eens wat lief!” Dat zei je over ieder musje dat je zag. Kijk dan alsjeblieft uit voor poezen en roofvogels, en ga niet midden op straat zitten. Reïncarneren als een onschuldig kalfje of lammetje zou ook iets voor je zijn. Maar daar loopt het meestal slecht mee af. Kleine kalfjes en lammetjes krijgen bijna nooit de kans om grote koeien of schapen te worden. Als je erg veel pech hebt, dan word je als lammetje geboren op Texel. Daar mag je niet eens opgroeien tot een peuterschaap; daar word je bij voorkeur geserveerd als zuiglam met asperges. Zuiglam! Een baby’tje wordt vol trots de keel door gesneden, en opgediend als lekkernij. Met dat onderwerp zouden jij en ik al weer een hele avond kunnen vullen. Hoe kan iemand een baby’tje om zeep helpen, alleen maar omdat het culinair zo lekker combineert met een groente?

Reïncarneren als een dier lijkt me geen goed idee. Dank zij de mensheid valt er voor de beesten nog maar weinig lol te beleven. Speelden in het Paradijs, volgens de Bijbel, de leeuwen nog met de slangen, in de echte wereld zijn alle beesten gedegradeerd tot voedsel, inkomstenbron of speelgoed voor de mensheid. Dieren mogen onder erbarmelijke omstandigheden worden gefokt en geslacht, en soorten die we niet zelf hebben gefokt mogen we doodslaan, plat trappen, wurgen in vallen, overhoop knallen of met haken uit het water sleuren voor de lol, commercie, of om de verfijnde smaak. Of ze worden door Staatsbosbeheer aangesteld als landschapsbeheerders, tegen kost en inwoning. De inwoning bestaat uit een kale Siberische vlakte in Flevoland, en de kost bestaat uit grassen en struiken die daar groeien. Als de kost op is, dan raken de dieren ook op.

Woensdag 18 april werd de boom weer groen, net als twee jaar geleden, toen we op die zelfde datum in de tuin zaten te wachten op die vervloekte en gezegende cassettes en het Specialistisch Team om het infuus aan te leggen.
Vroeger zaten we vanaf begin april samen iedere dag die boom in de gaten te houden. “Ik zie al knoppen. Nog een paar dagen en dan komen ze uit.” De eerste groene blaadjes  aan die boom waren voor ons altijd het startsein van de lente.

Nu niet meer; tegenwoordig zijn ze het startsein voor een aanval van verdriet.

Permanente koppeling naar dit artikel: http://www.vanweezep.info/een-andere-invalshoek/