Dit land is ziek?

Een oom van Coby vertrouwde ons, al 12 jaar geleden, op zijn vijfentachtigste verjaardag toe, over ouder worden: “Ik zou geen 80 meer willen zijn.”

Ik ben het met hem eens; je moet niet terug willen in de tijd. Ik zou ook geen 40 meer willen zijn, of 50, of 65. Hoewel bij die laatste leeftijd die herinneringen weer boven komen waar ik blij en verdrietig tegelijk van word. Wat een prachtig, mal, feestelijk en dramatisch leven hebben we gehad. Natuurlijk heb ik heimwee naar de mooie momenten van die tijd en zou ik niets liever willen dan Coby terug in mijn leven. Maar dan wèl bij voorkeur in mijn huidige leven op mijn huidige leeftijd, en niet in die malle tijd van ziekte, leugens en bedrog.

Iedere leeftijd heeft bekoringen. Als je 40 bent geniet je van al die zelf opgelegde zenuwentoestanden met kinderen, sport, werk, verjaardagen, kamers vol met visite, etentjes en borrelavonden met gesprekken die nergens over gaan. Zelfs de rat race, de verplichte jacht naar meer, meer, meer is op die leeftijd een leuk tijdverdrijf.
We doen niet mee aan die zinloze race omdat we ieder jaar méér nodig hebben, maar omdat we ieder jaar hogere eisen stellen aan het leven, en omdat het voor onze egootjes belangrijk is om méér te bezitten dan de buren.
Als dat met daden niet lukt, dan moet het met woorden, dan doe je maar alsof; dan verandert in de vertellingen een barak op slag van een nachtmerrie in een ultieme droom. Want anders heb je gefaald en doe je van frustratie geen oog meer dicht.

Stilstand is achteruitgang is het credo sinds de uitvinding van de welvaart. Flauwekul, we hebben niet steeds meer nodig. We hebben genoeg aan wat we nu hebben; zelfs wat we vijftig jaar geleden hadden was genoeg. Genoeg is genoeg.

Pas als je ouder wordt, begin je te beseffen dat stilstand geen achteruitgang is. Stilstand is rust.

Deze leeftijd bevalt me uitstekend, ook al kleven er nadelen aan. Naarmate je meer leeftijden achter je laat, houd je minder leeftijden over voor de toekomst. Eens houdt het op, dan ben je door je rantsoen heen. Leven doe je maar even. Daarvóór en daarná ben je tienduizendtriljoentriljard jaar dood, zoals we in onze jeugd heel grote getallen plachten uit te drukken. En waarschijnlijk duurt de eeuwigheid zelfs nog langer dan tienduizendtriljoentriljard jaar. Het gerucht gaat dat de eeuwigheid geen begin en geen einde heeft. Dat is pas een serieus lange tijd om dood te zijn. Wen maar vast aan het idee, dan kan het nooit tegenvallen.

Dat brengt ons bij een ander nadeel van ouder worden: het spoor van doden dat je achter laat. Bij mij met stip op één natuurlijk mijn lief; maar er zijn er zoveel meer, ouders, familieleden, vrienden, kennissen, maar ook schrijvers, wetenschappers, TV persoonlijkheden, muzikanten, acteurs. Er gaat geen jaar voorbij zonder het verlies van mensen aan wie je warme herinneringen koestert.

Er is nog een kant van ouder worden. Je leert steeds meer; niet alleen door je eigen ervaringen, maar ook via media en boeken. Wijsheid komt met de jaren, jawel. Zo leer je bijvoorbeeld dat alles zich herhaalt. Alles komt terug, niet alleen in de mode maar ook in de geschiedenis. Er is één verhaal dat het succesnummer van de historie is; één stuk dat al honderden keren is opgevoerd, iedere keer in een andere uitvoering, met andere spelers. En iedere keer voor volle zalen en luid applaus bij de opening. Onvermijdelijk, even dwangmatig als eb en vloed. Ook nu speelt het stuk in diverse landen tegelijk.

In Nederland draait het stuk al een aantal jaren, maar de laatste weken loopt de kaartverkoop als een trein.
De eerste akte van het stuk gaat over de ingebeelde constatering: “Dit land is ziek.”
In de tweede akte wordt de diagnose gesteld, met een beschuldigend wijzend vingertje: “Zie daar! Dat zijn de ziektekiemen.”
In de derde akte staat iemand op die met veel geroffel op de borst pathetisch uitroept: “Ik ben degene die dit land kán genezen, ik ben degene die dit land zál genezen van deze ziekte!”
In de Nederlandse versie komen zelfs twee “Verlossers” voor, twee concurrerende Redders des Vaderlands.

In de verte kun je zien dat het decor voor de grand finale wordt opgesteld. De laarzen staan al klaar. Wie die laarzen zullen dragen, de fanatieke volgelingen van de Redder of de niet minder fanatieke tegenstanders, of dat de laarzen ongebruikt weer worden opgeborgen, dat blijft nog even een verrassing.

Want dat is het spannende van dit stuk: het publiek beslist over de afloop.