Het land waar we de weg niet weten

Een vriendin omschreef enkele dagen geleden het weduwschap en weduwnaarschap¬†als een land waar we de weg niet weten. In zo’n land kun je hopeloos verdwalen, of proberen de weg voetje voor voetje te verkennen. Ik doe dat laatste maar houd daarbij Coby’s hand nog steeds krampachtig vast.

Bij alles wat ik doe, vraag ik me af hoe zij het zou doen. Zodra ik iets doe waar zij het niet mee eens zou zijn, word ik bevangen door een schuldgevoel. Nutteloos, zinloos want ik hoef geen verantwoording meer af te leggen.

Coby is er niet meer. Mijn hoofd weet dat, maar mijn hart weigert daar rekening mee te houden. Ik houd haar in stand, krampachtig. Omdat zij er zelf niet meer is, hangen er twee grote foto’s aan de muur. Bij gebrek aan de enige echte Coby, praat ik tegen die foto’s. Ik vertel wat ik voel; ik verontschuldig me als ik iets gedaan heb waar zij het niet mee eens zou zijn.

Mijn leven draait nog steeds om haar, ik houd me aan haar disciplines, haar richtlijnen, haar ethiek, en dat is niet vol te houden.

Coby had bijvoorbeeld smetvrees; daarom moest het huis altijd brandschoon zijn. Na Coby’s overlijden ben ik daar gewoon mee door gegaan, uit een soort plichtsbesef. Dat heb ik na bijna drie maanden los kunnen laten. Ik onderhoud het huis nu op mijn eigen manier. Ik heb geen smetvrees; ik vind het niet erg als er een stofje op de vensterbank ligt.

Als ik een dagje weg ga, dan zorg ik nog steeds dat ik rond 4 uur weer thuis ben. Vroeger had dat zin, want dan konden we even nabeschouwen onder het genot van een glaasje wijn. Nu is het zinloos, maar ik doe het nog wel omdat het als verraad aan Coby voelt om later thuis te komen.

Langzaam probeer ik dat veranderen. Dat levert een soort schuldgevoel op, maar het is nodig. Ik moet minder Coby worden, en meer mezelf. Ik moet me niet afvragen welke weg Coby zou kiezen in dit vreemde, vijandelijke land; ik moet mijn eigen pad banen.