De medische wetenschap

De medische wetenschap is een hi-tech industrie geworden. De kosten rijzen de pan uit, zoals we allemaal in onze ziektekosten merken, maar je krijgt er ook wel iets voor terug. Een ziekenhuis als het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis beschikt over miljoenen euro’s kostende apparaten en de beste specialisten.

Om alleen al de aard en positie van de ziekte vast te stellen worden er bloedonderzoeken gedaan, scans gemaakt, puncties, echo’s.  Daarna volgt de therapie met even kostbare middelen.

En dat zijn dan alleen nog maar de directe kosten. Achter de schermen wordt minstens net zo hard gewerkt om een duidelijker beeld te krijgen van de oorzaken van kanker, de gevolgen op celniveau, en de genetische factor die daarbij een rol kan spelen.

Als de soort en locatie bij een  patiënt zijn vast gesteld, is er een groeiend scala aan therapieën voorhanden.

Stereotactische bestraling bijvoorbeeld, waarbij de tumor op zijn donder krijgt met een minimum aan schade voor het omringende weefsel.

Of operatieve verwijdering van de tumor, waarbij de mogelijkheden door de toenemende kennis steeds groter worden. Plekken die vroeger niet te bereiken waren, zijn tegenwoordig goed te opereren.

Sinds kort is er ook thermische inactivatie door een holle naald in de tumor te steken, waavan de kop openvouwt tot een soort paraplu, waarvan de baleinen hitte afgeven waarmee de tumor wordt stuk gekookt.

De nieuwste behandeling  is immunotherapie, waarbij op maat gemaakte eiwitten de tumorcellen aanvallen. Dit is helaas nog in een experimenteel stadium, maar belooft heel wat in de toekomst.

Maar naast al die geavanceerde mogelijkheden kan de medische wetenschap helaas nog steeds niet zonder middelen die doen denken aan de Middeleeuwen.

Zo is er nog steeds de “ouderwetse” bestraling, waarbij de tumor rechtstreeks wordt bestookt met radio-actieve straling. Niet alleen de tumor krijgt ervan langs, maar ook al het andere weefsel dat zich in de “vuurlijn” bevindt.

De ergste behandeling is natuurlijk nog steeds die aloude chemotherapie, de gifbeker. De  patiënt krijgt via een infuus een vloeistof binnen, die fataal is voor alle cellen in een menselijk lichaam. Geef er genoeg van en de patiënt overlijdt. De enige reden waarom de patiënt blijft leven, is dat er een haarfijn berekende dosis wordt gegeven, die nét wel fataal is voor de snelst delende cellen in het lichaam en nét niet fataal voor de minder snel delende cellen. Exact de zelfde werking als een non-selectieve onkruidverdelger.
De aller snelst delende cellen zijn de tumorcellen, anders zou een tumor niet zo razend snel kunnen groeien. Die nemen de meeste chemo op worden daardoor vernietigd. Maar ons lichaam maakt zelf miljarden andere cellen aan de maar net iets minder hard groeien dan de kankercellen. En die cellen nemen bijna net zoveel chemo op en krijgen dus zo hard op hun donder dat ze nét niet allemaal worden vernietigd. De huid bijvoorbeeld, ogen, slijmvliezen in mond en geslachtsorganen, beenmerg, bloedplaatjes, rode bloedlichamen, witte bloedlichamen krijgen er ook genadeloos van langs. Daarom moet vóór iedere kuur ook bloed worden geprikt, om vast te stellen of de patiënt nog wel voldoende afweermiddelen heeft om de chemo aan te kunnen. Als de bloedplaatjes, of bloedlichamen niet op peil zijn, kan de chemo niet worden toegediend omdat de patiënt anders zou overlijden.

De patiënt zelf ondergaat daardoor nagenoeg de zelfde kwelling als de tumor. Pijn en misselijkheid kunnen bij sommige chemo’s zo intens zijn dat de  patiënt meer lijdt onder de behandeling dan door de ziekte. We hebben zelf al enkele gevallen meegemaakt, waarbij de patiënt de kwelling niet meer aan kon en er voor koos om de behandeling te stoppen.

Permanente koppeling naar dit artikel: http://www.vanweezep.info/de-medische-wetenschap/