19 Februari 2009, Loek

De bijverschijnselen van de chemo zijn vannacht serieus begonnen, snerpende hoofdpijn, verhoging, misselijkheid, vermoeidheid en een griepgevoel. Ik kan me vandaag uitleven als persoonlijke butler-verpleger.

Het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis is waarschijnlijk het ergste ziekenhuis van Nederland. Niemand komt er voor een griepje of een gebroken been. Alle patiënten hebben maar één ding gemeen, ze hebben kanker. De enige verschillen bestaan uit de locatie van de kanker, de aard, de behandelwijze, en de overlevingskans.

Het onderscheiden van patiënten en bezoekers kan soms een beetje lastig zijn. Tenzij ze in nachtkleding rondlopen, op een bed worden vervoerd, of gehuld gaan in een hoofddoek of pruik, lijken de meeste mensen er gezond. Dat is het enige voordeel van kanker, het gaat niet altijd ten koste van het uiterlijk. Aan de andere kant is dat ook het grote nadeel van kanker, het is een onzichtbare rot ziekte, het is een moordenaar die een gifbeker aanbiedt. Je ziet het gevaar niet aankomen, je proeft het gif niet. Je ziet het zelfs niet als het gif zijn dodelijke werk begint te doen bij de vrouw van je leven; je weet pas dat ze vergiftigd is als de dokter je vertelt dat dat gif zich al een weg heeft gebaand door haar dierbare lichaam.

Dan opeens begrijp je waarom je lief al jarenlang snel moe is, en waar die onverklaarbare pijnen vandaan kwamen.

Vanaf dat moment staat je leven in het teken van de ziekte. De wereld draait gewoon door, de recessie slaat de economie vleugellam, huizenprijzen storten in, hondderdduizenden mensen liggen slapeloos in bed uit angst voor hun baan, of voor de vakantie die ze zich niet meer kunnen veroorloven, of de nieuwe auto die nog een jaartje zal moeten wachten.
We lezen erover, maar het interesseert ons geen lor. Onze wereld bestaat al anderhalve maand uit niet meer dan twee eierstokken en een vetschort.

Zelfs je eigen sores krijgt een andere betekenis. Wat stelt een procedure voor, als het leven van je lief in gevaar is? Wat stelt geld voor? Waarom maakte ik me vorige maand nog druk om al dat rottige geld dat ik in de afgelopen jaren heb moeten uitgeven aan accountants en advocaten?

Je leert relativeren, maar aan de andere kant stapelt het ook op.
Die problemen stellen weliswaar niets meer voor, vergeleken met de motten, zoals Coby haar tumoren het liefst aanspreekt, maar die problemen gaan wel gewoon door. Tussen de ziekenhuisbezoeken door moet er wel overlegd en gekopiëerd worden en nagedacht of ik nog iets ben vergeten.
Dat relativeren is overigens wel prettig voor jezelf, maar praktische waarde heeft het niet; je hebt helemaal niets aan zo’n eigenzinnige relativiteitstheorie in de gewone wereld.
Ik zou kunnen proberen om het aan de rechter uit te leggen: “Ach Edelachtbare, waar hebben we het helemaal over?”
“Helemaal exact weet ik het niet uit mijn hoofd”, zal zijn antwoord waarschijnlijk zijn, “maar het komt heel dicht in de buurt van 200.000 euro, mag eventueel ook in handige maandelijkse termijnen van 3.000 euro, te beginnen op 1 januari 2005.”
“Ja maar, ik bedoel waar we het relatief over hebben”.
“Nou ja, als u bedoelt dat u geen waarde hecht aan 200.000 euro, dan stel ik voor dat u dat bedrag binnen 4 dagen overmaakt aan de tegenpartij. Dan zijn we klaar, en kunnen we naar huis. Dan ben ik nog net op tijd voor een aperitiefje. Ik kan u verzekeren dat uw ex daar relatief gezien heel blij mee zal zijn”.
Dat is niet alleen mijn eer te na, maar relatief gezien stel ik zelfs onder de huidige omstandigheden 200.000 euro toch wel op prijs.
Ik zal dus gewoon door moeten gaan met het lezen van tientallen meters dossiers, met aantekeningen maken en berekeningen, en het weerleggen van de kolderieke argumenten van mijn ex.
Hoe verzint iemand het om 4 jaar lang onder te duiken, op geen enkele brief te reageren, om geen enkele keer in te gaan om verzoeken om inkomensgegevens, om dan na die 4 jaar opeens uit haar hol te kruipen om vol heilige verontwaardiging “haar helft van de winst” op te eisen?